Onze stukken over vrijwilligerswerk in de zorg voor mensen met dementie zijn gebaseerd op eigen ervaringen. We gebruiken gefingeerde namen.
Woensdagochtend 2-4-2025, vaarwel Hans, hallo Leonard.
Een check of je urine niet rood kleurt, de kale plek op je hoofd niet groter wordt of de aarswormen niet meer tussen de uitwerpselen van dochterlief krioelen. Je kijkt er steeds naar uit om het NIET te zien. Rustig liep ik het tehuis binnen en keek ik als eerste naar rechts, waarmee mijn hoop dat er niks was direct vervloog. Een nieuwe foto. Dus toch. In het vitrinekastje met de bidprentjes van de recent overleden bewoners. Hans’ foto. Een charmante en vleiende glimlach betoverde menig passant.
Ik herinnerde me dat ik hem vorige week nog samen met mijn kinderen had gezien in het Centrum van Nuenen. Voor de laatste keer wist ik nu. Hans wandelde samen met een verzorger, waarschijnlijk een van de routes die ook ik vaker met Hans had afgelegd. Zijn lach stak de straat over en maakte de dag van mijn dochters een beetje beter. En de mijne ook. Bedankt voor onze gezellige momenten samen Hans, het ga je goed.
Het is komen en gaan. Het hoort erbij, maar echt wennen doet het nooit. Je bouwt iets op met ze. Je werkt aan herkenning, afleiding en geluk. Bij de een bereik je meer dan bij de ander. En dan is het plotsklaps weg. Ergens vervult het me met berusting dat ze hun oneerlijke en grillige strijd inruilen voor geestelijke rust. Tegelijkertijd is het bijzonder om een rol te spelen in hun resterende tijd. Het is moeilijk om ze te verliezen. Familie wist niet van je bestaan en toch deelde je enkele van hun allerlaatste speciale momenten met hun dierbare.
Enigszins ontdaan liep ik de buurtkamer in. Daar zaten de zwaar gehavende Ans en piraat Els, verwikkeld in hun eigen persoonlijke strijd. Ans is de alleroudste en taaiste van het stel, ze sliep. Els oogde afwezig maar werd direct vrolijk toen ik voor haar ging staan en zwaaide. Stiekem om die ene tand te kunnen zien en me te generen voor de misplaatste drang om deze eruit te willen trekken. Ik ging bij Leonard zitten, de oude damkampioen. Of het een hang was naar kameraadschap, een lonkende vrije stoel aan de tafel of een daad van impact weet ik niet, maar iets bewoog me steeds vaker zijn kant op. Hallo, zei ik.
Tijdens onze wandeling even later schreeuwde ik af en toe iets naar zijn oor. Zodra we helemaal stil stonden en ik nog harder en dichterbij enkele woorden afvuurden richting zijn gehoorapparaat kwam de boodschap aan. Het deed er niet toe. Wat een man, die Leonard. Hij wilde perse zonder rollator mee wandelen. 95 jaar oud. Ik was de hele tijd bang dat hij zou vallen, hijzelf kennelijk niet. Ik houd het nog wel vol hoor en volg je wel, zei hij een paar keer. Ook al wankelde hij zo nu en dan, vooral bij de stoepranden die aan de hoge kant waren, ging het best aardig. Soms pakte Leonard me heel even vast, voorzichtig doch doelgericht, op dat moment had het iets vertederends maar een half uur later zou dit gebaar pas een extra speciale lading krijgen.
Wat bleek namelijk. Leonard heeft twintig jaar lang met zijn maat bergen beklommen, geen flauwe Nederlandse heuvels, maar reusachtige bergen van de zwaarste categorie: de Alpen. Met touwen, pikhouwelen en andere attributen. De Mont Blanc. Ik kreeg al hoogtevrees toen Leonards fotoalbum ‘twintig jaar lang bergavonturen in de Alpen’ voor me lag. Bewonderend keek ik naar de prachtige foto’s die een glunderende Leonard me liet zien onder het genot van een verdiende kop koffie.
Deze wandeling was precies goed voor mij, zei hij. Het had niet langer moeten duren. Ik kon zijn luide ademhaling, hard kloppende hart en onregelmatige pasjes van de laatste meters nog horen. Het was echt heel fijn, vervolgde hij. Dankjewel, gaan we volgende week weer?
Het was iets in zijn ogen. Fonkelend straalden ze een diepe dankbaarheid uit zoals ik deze zelden ervaren had. Voor een klein ommetje om de Nuenense kerk, dat voor hem zichtbaar bevredigend was. Misschien zelfs net zo als een woeste beklimming in zijn hoogtijdagen. Hij keek nu al uit naar volgende week, zei hij. Dan gaan we nog verder. Voor hem werd ik op dat moment officieel een nieuwe wandelvriend. Hij had er een die hem jaarlijks vergezelde op duizenden meters hoogte, langs steile diepe afgronden, witte bergtoppen, omhuld door een ijskoude ijle lucht. Nu heeft hij iemand die hij zo nu en dan vast kan houden als we twee kilometer lang het vlakke Nuenen trotseren. Alleen als het niet regent. En wat ben ik blij dat ik het ben.