Onze stukken over vrijwilligerswerk in de zorg voor mensen met dementie zijn gebaseerd op eigen ervaringen. We gebruiken gefingeerde namen.
Woensdagochtend 29-1-2025, Dammen, tegen de kampioen.
Loodgrijs, nat en guur. Het zou eens een keer anders zijn in deze tijd van het jaar. Enkele flikkerende tv toestellen achter gesloten maar doorschijnende gordijnen zorgden voor de enige lichteffecten op de vroege ochtend. Ik parkeerde mijn fiets en ging met goede zin naar binnen. Een typische tehuiswalm omhulde me als een warme plakkerige deken. Omdat ik geen bidprentje zag in de vitrinekast, werden de laatste restjes van mijn weer gerelateerde somberheid verdreven. Ze waren er allemaal nog. Eenmaal op de eerste verdieping aangekomen keek ik meteen in de droevige ogen van Astrid, die ik al even niet meer had gezien, en beantwoordde met een ietwat geveinsde meewarige blik -ik wist echt even niet hoe ik moest kijken-, waarop zij haar ogen neersloeg en zuchtend wegzakte in een soort van halve slaaptoestand. Wow Astrid wat heb je een mooie blouse aan, de paarse kleur staat jou zo leuk. Ze zag er niet best uit.
Truus en Lianne zaten aan dezelfde tafel als Astrid. Verderop zat de enige heer van het gezelschap aan tafel met piraat Els. Wat zeg je, vroeg hij aan Els, die even daarvoor wat ondefinieerbaars brabbelde en nu als antwoord naar buiten keek en fanatiek wees, naar niets. Wil jij mij iets vragen, vroeg meneer met zijn luide stem. Hij is stokdoof en draagt het grootste gehoorapparaatje dat ik ooit bij iemand uit zijn oren heb zien komen. Weet niet, sputterde Els. Dan laat maar zitten. Ze zoeken elkaar steeds op zei de gastvrouw tegen mij. De manke en de blinde, maar dan de dove en de stomme. Hier gebeurt het om de haverklap. Communiceren in de taal van verbinding en nabijheid. Prachtig.
Naast Els zat Ans te slapen in een soort van rolstoel. Weer een paar veldslagen overleefd, nu verwikkeld in een strijd die ze hopelijk vredig en pijnvrij, ik durf het te zeggen: gaat verliezen. Hetzelfde hoop ik voor Astrid, maar ik vrees dat dat nog wel even duurt, gezien het bizarre contrast tussen de staat van haar lichaam en haar geest. Ik ging als eerste aan tafel zitten bij de dames, naast Lianne en tegenover Truus en Astrid. Hebben jullie ook zo lekker geslapen? Truus lachte, haar neutrale staat van zijn. Lianne reageerde niet. Astrid zuchtte, haar mondhoeken hingen zo laag dat ze bijna van haar gezicht vielen. Gaan jullie zo mee een boek lezen? Optimistisch gestemd keek ik naar Lianne, net als vorige week hoopte ik dat vooral zij mee wilde gaan. Iets in mij zei dat er een literaire schoonheid in haar school. Ze wilde niet. Weer niet. Wat zou er veranderd zijn? Ik gaf de moed niet op en pakte de krant en begon voor te lezen, maar het deed haar niks, als er op datzelfde moment een fanfare binnen was gekomen had ze er vermoedelijk hetzelfde bij gezeten. Truus was ondertussen opgehaald door haar grote liefde: haar fietsmaatje.
Ik besloot aan de andere tafel te gaan zitten. Ik merkte dat er buiten aan de dimmer werd gedraaid, de goede kant op. Mooie bundelingen van zonlicht (ja echt) vielen de buurtkamer binnen. Ik was toe aan een nieuwe ervaring en vroeg aan de meneer waar ik eerder echt contact mee had willen maken, maar waarbij ik niet verder was gekomen dan in zijn oor schreeuwen, of hij zin had in een potje dammen. Nou dat wilde hij wel. En voordat ik het wist speelde ik tegen een oud Eindhovens kampioen. Ik heb heel mijn leven lang niks anders gedaan dan dammen, zei hij. 95 jaar oud, zijn zicht en gehoor zo versleten als het maar zijn kan, maar zijn tactisch vernuft in topvorm. Ongelofelijk, ik ben me toch een partij ingemaakt, helemaal gedesillusioneerd verliet ik de buurtkamer. Het was gezellig , daar ging het tenslotte om, en de meneer vond het bijzonder fijn om een keer met een andere man te dammen. Contact gelegd, missie geslaagd. Ik vond het ook heel leuk, zei ik. Ondertussen dacht ik al aan volgende week: geen genade voor deze meneer, challenge accepted, oefenstand aan, ik ga winnen. Maar niet heus.