Een ochtend met twee gezichten

Onze stukken over vrijwilligerswerk in de zorg voor mensen met dementie zijn gebaseerd op eigen ervaringen. We gebruiken gefingeerde namen.

 

Woensdagochtend 18-12-2024, een ochtend met twee gezichten.

 

Het kwam vast door de wind. Thuis aangekomen veegde ik de natte plakkerige plekken rondom mijn ogen schoon. Het was evident dat ik me deze laatste ochtend vrijwilligerswerk voor het kerstreces heel anders had voorgesteld. De beelden op mijn netvlies voelden alsof ze er zojuist op waren gebrand met een ijzeren staaf, waarvan de punt oranjerood glimt omringt door vibrerende lucht. Hoe anders begon de ochtend, mijn hoofd duizelde ervan.


Klokslag 9:30 arriveerde ik in de buurtkamer op de eerste verdieping, zoals gewoonlijk was het er druk. Een kort moment bevroor ik, schichtig om me heen kijkend of ik vijandelijke aerosolen detecteerde. Het norovirus waarde rond als een inbreker, comfortabel meeliftend met het roulerende personeel tussen de verdiepingen. Even twijfelde ik of ik moest gaan, maar met de kerstvakantie in aantocht, de angst dat niemand me meer zou herkennen in het nieuwe jaar en het vooruitzicht op het heugelijke blijmakerschap, ging ik vol goede moed op pad, vergezeld van optimisme door de kleine succesjes die ik laatst heb geboekt met Astrid. Terugdenkend hieraan weet ik niet of naïviteit of valse hoop beter paste, gezien de algehele malaise die later zou volgen.

 

Eerst de mooie herinneringen, ik draag ze mee, zij verliezen ze, als uitgestrooide as over zee oplossend in een onverzadigbare leegte. De derde editie van onze kleine leesclub, met als aanwezigen Truus, eregast, en Lianne, voorheen de mevrouw wiens naam ik niet wist, verblijdden ons alledrie. De dames omdat ze opgingen in de fantasiewereld van het verhaal, en mij vanwege de dankbare rol als gids van een tevreden en verwonderend reisgezelschap. Vooral de metamorfose bij Lianne was opnieuw verbluffend te noemen. Hoe ze kreunend en steunend de buurtkamer verliet, als een kreupel poesje, neerslachtige blik, verdrietig en verdwaasd, na de eerste volzin volledig opbeurde, haar ogen wagenwijd opende, en aandachtig en begripvol luisterde naar de in Oudhollands geschreven, met vlagen toch lange zinnen.

 

Na driekwartier lezen zag ik de ogen van Truus steeds waziger worden, in tegenstelling tot de stralende spotters van Lianne. Soms had ik het idee dat Lianne een examinator was, zo nauwlettend hield ze me in de gaten. Elk woord dat uit me stroomde pakte ze gretig op, kauwde ze tot behapbaar en mixte ze met andere woorden, zodat ze maximaal genoot van alle smaken. Hiervoor deed ik het. Wat een fijnproever. Maar goed, Truus hield het niet langer vol. Samen uit, samen thuis zeiden we tegen elkaar. De arm in arm verstrengelde drie-eenheid liep daarop terug naar de buurtkamer op de eerste verdieping. We keken uit naar een kopje koffie en een luchtig praatje over de kerstboom of het weer, niet naar wat we aantroffen.


Astrid stond in haar nachtjapon jammerend en verloren om zich heen te kijken, een sok half over haar voet getrokken, de rest bloot. Moederziel alleen te midden van bewoners, verpleegkundigen en helpenden. Hoe hard iedereen zijn best deed, waaronder een halfslachtige poging vanuit mij, niks hielp. Astrid wilde niks, deed niks en kon niks. Huilen, warrige kreetjes en zelfs een slaande beweging, uit frustratie, onmacht. Ze was compleet de weg kwijt. Ik heb haar niet eerder zo hulpeloos meegemaakt. Ze is pas 67 hoorde ik later. De ziekte zuigde haar hele brein leeg als een bloedzuiger die net zo lang doorgaat totdat er geen druppeltje meer over is.


Pas op de fiets realiseerde ik me waarom ik me zo slechte voelde. Ik deed wat iedereen deed: vragen of ze zich alsjeblieft wilde aankleden en of ze wilde dat ik met haar mee zou lopen. Hierdoor zag ik haar niet staan, niet echt te staan in al haar kwetsbaarheid. Het kan zijn dat ik er naast zit, maar volgens mij had Astrid maar een ding echt nodig. Een schouder als een zacht kussen. Om op te huilen.