De leesclub

Onze stukken over vrijwilligerswerk in de zorg voor mensen met dementie zijn gebaseerd op eigen ervaringen. We gebruiken gefingeerde namen.

 

Woensdagochtend 20-11-2024, de leesclub.

 

“Zo dan zullen we ons vandaag binnen moeten vermaken,” zei ik om de stilte te verbreken die vermoedelijk alleen bij mij licht ongemak veroorzaakte. Buiten in de tuin, normaliter een lust voor het oog, daalden grote witte sneeuwvlokken uit een grijzige leegte neer op een door de herfst versomberd zompig landschap, waar niemand was en niemand wilde zijn. Ik ook niet, een sneeuwfan ben ik zeker niet.


Truus keek me stralend aan, voor haar scheen de zon, volledig opgaand in het moment, even geen verwarring, de blijheid die won en vaak wint, elke keer als ik haar zie. De mevrouw naast Truus kende ik niet, ik weet niet hoe ze heet, haar naam vroeg ik niet. Ze staarde me aan met een glazige blik die geen enkele emotie verried, tenzij leegte er eentje was. Astrid liep ondertussen onrustig heen en weer door de gemeenschappelijke buurtkamer, alsof ze iets kwijt was maar niet goed wist wat, snikkend als een verdrietig meisje, met wekelijks verder wegzakkende mondhoeken, totdat ze er helemaal vanaf vallen. Er valt geen land meer mee te bezeilen. Het deed pijn om haar zo te zien.


Een fijn nostalgisch klinkend nummer met een ABBA sound kraakte door de luidspreker, alsof er een LP draaide, waarop Truus haar arm om me heen sloeg en vrolijk meedeinde op de muziek. Ik deed mee. De tijd stond stil.

“En dat gaat lukken!”


Een minuut later, Astrid liep weg van ons, vroeg ik vlug aan Truus en de mevrouw of ze met me mee wilden naar de bibliotheek, waar ik ze voor zou lezen uit een boek, over een jong verliefd stel en een paard. Spontaan pakte Truus de teugels vast en transformeerde in een amazone, precies zoals ze dit twee weken geleden ook deed tijdens de eerste editie van onze kleine leesclub. Ze wist het nog! Ik kreeg een warm gevoel van binnen en kon niet wachten om Truus opnieuw mee te nemen, terug in de tijd, naar een andere wereld, waar ze kon zijn en fantaseren. Even weg uit de wirwar.


Ik was best nieuwsgierig naar hoe de andere mevrouw het zou vinden. Over Truus maakte ik me niet zo’n zorgen, die huppelde vrolijk richting de lift en was zelfs mee naar buiten gegaan om in de plassen te stampen en rollen. Als ik er maar bij was. De andere mevrouw wankelde licht kreunend naast me de ruimte in waar twee boekenkasten stonden, beide gevuld met grote letterboeken. Onze bibliotheek. Drie fauteuils stonden dichtbij elkaar, als een knus gezin. 

“Zo ga maar lekker zitten hier, dan pak ik ons boek erbij.”


Ik besloot om bij het begin te beginnen. Truus merkte het niet. Met dezelfde stem als waarmee ik mijn kinderen voorlees, nam ik ze mee naar de boerderij van de rijke familie Cromhout, waar Henk, de jonge trots van het gezin, beoogd opvolger van de boer en verwend rijkeluiszoontje, een ritje maakte op zijn paard met Marlies, de dochter van een knecht, een armoedzaaier, een meelhandelaar notabene. Het voelde voor beide families onjuist, voor de een duidelijk zwaarwegender dan voor de ander. Ik dacht nog: het was toen nog erger.


Links van me zat Truus, met een glimlach die niet meer wegging. Af en toe de teugels straks aanhalend, nog net niet hinnikend. Rechts van me zat plots een hele andere versie van de mevrouw die zojuist haar eerste stap ooit in de bibliotheek had gezet. Ze keek me aan met een geïnteresseerde en nieuwsgierige blik van een literaire bewonderaarster, haar ogen fonkelden en dansten mee op de vaart van het verhaal, vernauwden zich tot spleetjes wanneer Marlies door een laaghangende tak een lelijke schram opliep, al zittende achterop het paard, met Henk in haar armen gesloten.


Toen we even later weer in de buurtkamer zaten was de mevrouw terug van weggeweest. Een onbehaaglijk schuldgevoel liet zich maar moeizaam verdrijven door realisme, dat dit het was. Meer zat er niet in. Het was maar voor heel even gelukt. Een glimp van haar vroegere geest die meevoerde langs dorpen, akkers, vreemde families,  onderlinge verhoudingen en kleine alledaagse zaken, ineens behapbaar. In het verhaal. Ons verhaal.


Terug naar huis op de fiets dacht ik aan Astrid. Kan ik haar nog bereiken? Zou ik het kunnen proberen bij onze leesclub? Ik schaamde me voor mijn ontwijkend gedrag. We deden niks meer samen, terwijl we voorheen elke week wandelden en Astrids lunch kochten voor haar dagje zorgboerderij, waar ze niet meer welkom was vanwege haar voortdurende onrust. Kan ik nog iets betekenen voor haar, voordat ze verder afglijdt. Ik herken het van de anderen. De geest die het lichaam verlaat, het leven dat verdwijnt, als de sneeuwvlokken voor me die verwaterden op het wegdek. Wat zou ze nog willen?


Zodra ik rechts van me de wit bedekte planten, struiken en grasveldjes zag, en zelfs ik waardering voor dit prachtige plaatje niet onderdrukte, wist ik wat we me te doen stond. Volgende week ga ik samen met Astrid op reis. We zoeken net zo lang totdat we het vinden. Het witte sneeuwlaagje dat nog niet is gesmolten.