Onze stukken over vrijwilligerswerk in de zorg voor mensen met dementie zijn gebaseerd op eigen ervaringen. We gebruiken gefingeerde namen.
Woensdagochtend 27-11-2024, geluksmomentjes.
Met mijn natte winterjas en verwaaid hoofd stapte ik de buurtkamer binnen, waar zich nagenoeg dezelfde voorstelling afspeelde als vorige week. En de week daarvoor. En de week…
Het was steeds alsof ik maar heel even buiten was en weer terug naar binnen ging. De hoofdrolspelers waren beide aanwezig: Truus en Astrid. Op de televisie dit keer een bloemetjesachtergrond met een luchtig klassiek muziekje, waarvan ik niet goed wist of het me vrolijk of melancholisch zou stemmen. Het werd het eerste, maar dat kwam niet alleen door de muziek.
Een van de personages hield zich namelijk niet aan het script. Ik kon me niet eens meer herinneren wanneer ik haar voor het laatst zo had meegemaakt. Als ik nu zo achteraf analyseer hoe het kwam, dan denk ik dat de betutteling van de nieuwste gastvrouw een trigger was. Begrijp me niet verkeerd, ze bedoelde het vast goed, maar zo pakte het niet uit. De opmerkingen “U moet nog wel uw water opdrinken” en “Goh, dat heeft u goed gedaan” hadden een infantiele ondertoon, die niet alleen bij mij onopgemerkt bleef. Dat we niet gelijk zijn geeft niet, dat de ernst van de ziekte zorgt voor extra onderlinge verschillen ook niet, maar dat we ons ongelijkwaardig behandeld voelen in relatie tot ons zelfbeeld, doet er wel toe.
Astrid zuchtte diep en meermaals, ze imiteerde de gastvrouw op komische wijze, als een meisje dat achter de rug om van haar strenge lerares gekke bekken trok om haar ergernis een gezicht te geven. Na de afgelopen week regelmatig te hebben nagedacht over mijn benadering van Astrid, greep ik direct mijn kans. Ik gaf Astrid subtiel maar duidelijk non-verbaal blijk van begrip en vroeg vervolgens of ze mee de krant wilde lezen. Samen met Truus, die naast haar zat, en even aan me vroeg wie ik ook alweer was, maar al snel glansde van gelukzaligheid. Truus was al gauw bij de leestafel, Astrid stond nog midden in de buurtkamer verdwaald om zich heen te kijken. Ze wist nu al niet meer wat ons plan was. Kom maar Astrid, loop maar met me mee, zei ik, terwijl ik haar arm pakte en ons naar de leestafel dirigeerde. Waar was ik aan begonnen…
Mijn gevoelens van meewarigheid onderdrukkend, viel mijn oog op een artikel over het Sinterklaas Journaal, dat thuis in deze tijd van het jaar steevast opstaat na het avondeten. Ik begon hardop voor te lezen. Er waren nogal wat ouders die de aflevering te spannend vonden vanwege het ziekenhuis, een zaag en Sinterklaas, het was nog maar de vraag of hij pakjesavond ging redden, een cocktail voor heftige kinderemoties: angst, verdriet en hebzucht. Een reddende engel in de vorm van een daadkrachtige en empathische verpleegkundige bracht verlossing, het filmpje ging viral.
Deze eenvoudige vorm van afleiding was tot mijn grote verbazing een gouden greep. Astrid kreeg de ene lachbui na de andere. Ik voelde een vrolijke ontlading van binnen, eindelijk gelukt, het onbetaalbare dat ik er steeds weer voor terugkrijg. Tussendoor moest ze echt bizar vaak gapen. Lachte ze nou cynisch omdat ik zo slaapverwekkend saai was vroeg ik me nog heel even af, waar ik overigens geen enkel probleem mee zou hebben gehad. Nee het waren vast de medicijnen, hoorde ik later. Lachen, gapen, lachen, gapen, af en toe een keer opstaan, op zoek naar waar ze ook alweer was, en weer zitten. Maar vooral lachen. Lachen!
Ik voelde dat er meer in zat en dat was zo. Het lukte me om Truus en Astrid mee te nemen naar de bibliotheek, waar we nog twintig minuten over Henk, Maartje en het vroegere boerenleven lazen. Deze keer ging ik verder waar we de vorige keer waren gebleven, vooral uit eigen belang, om niet voor de derde keer kennis te hoeven maken met het leven in Cromhout. Bovendien was ik als betrokken lezer best nieuwsgierig geworden naar hoe het nu verder ging tussen Henk en Maartje.
De onvermoeibare regenbuien mochten wat mij betreft stoppen, hoe eerder hoe beter, de lachbui van Astrid bleef hopelijk hangen. Ik probeerde niet te hard te blazen, zodat deze vooral niet zou overwaaien. Opnieuw lachen, gapen, lachen, af en toe kwam er nu ook een “ooooh” of een “aaaaah” uit, een paar keer opstaan en om het hoekje kijken, weer terug, en lachen. Astrid genoot zichtbaar. Ze had meer geluksmomentjes in dit uur dan tijdens alle dagen van dit jaar dat ik haar heb gezien.
Toen Astrid opstond en naar haar blaas greep wist ik dat het tijd was om terug te gaan. Na een kleine sanitaire tussenstop, stapten we de lift uit en namen voldaan plaats aan de eerdere leestafel, waar ik een kopje koffie nuttigde en de dames een sapje kregen.
“Wil je een rietje om je sapje mee op te drinken?”